ECLI:NL:CRVB:2005:AU0466
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het opleggen van een dwangsom bij uitblijven beslissing op bezwaar in WAO-uitkering
Appellante maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV over haar WAO-uitkering en stelde dat vanwege het uitblijven van een tijdige beslissing een dwangsom moest worden opgelegd. De rechtbank had eerder bepaald dat het UWV binnen vier weken een besluit moest nemen, maar zag geen aanleiding tot het opleggen van een dwangsom toen dit niet gebeurde. Uiteindelijk nam het UWV op 20 augustus 2002 alsnog een beslissing op bezwaar.
Appellante stelde in hoger beroep dat over de periode tussen 8 juli 2002 en 20 augustus 2002 een dwangsom van €150 per dag verschuldigd was. De Raad overwoog dat de bevoegdheid tot het opleggen van een dwangsom volgens artikel 8:72, zevende lid, Awb slechts geldt zolang niet wordt voldaan aan een rechterlijke uitspraak. Omdat het UWV alsnog aan de uitspraak had voldaan, verviel de grond voor een dwangsom.
Verder benadrukte de Raad dat een dwangsom niet bedoeld is als schadevergoeding voor te late besluitvorming. Indien appellante schade had geleden door de vertraging, had zij daarvoor andere rechtsmiddelen kunnen gebruiken. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek tot oplegging van een dwangsom af.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat het UWV geen dwangsom hoeft te betalen omdat uiteindelijk alsnog een besluit op bezwaar is genomen.