ECLI:NL:CRVB:2005:AU0212
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na verkeersongeval met beenbreuk
Appellant, werkzaam als monteur en schoonmaker, liep op 5 januari 2000 een gecompliceerde rechterbeenbreuk op door een verkeersongeval. Vanaf 3 januari 2001 ontving hij een WAO-uitkering van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Op 15 februari 2002 werd deze uitkering herzien naar 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid. Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het bezwaar ongegrond. In hoger beroep stelde appellant geen nieuwe feiten of argumenten naar voren die tot een ander oordeel konden leiden. De Raad concludeerde dat de beschikbare medische gegevens voldoende waren om de mate van arbeidsongeschiktheid verantwoord vast te stellen.
De Raad oordeelde dat appellant, ondanks zijn beenbreuk, zijn werkzaamheden als monteur kon verrichten, mede omdat het belastbaarheidspatroon traplopen beperkte tot twee keer per uur vijftien treden, wat niet werd overschreden. Ook de eigen woning van appellant bevatte slechts drie trappen van elk ongeveer zes treden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 15-25% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.