ECLI:NL:CRVB:2005:AU0069
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning vervolgingsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs vervolging
Eiser, geboren in 1925 in voormalig Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als vervolgingsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat hij tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd was door de Kempetai en verplicht tewerkgesteld bij fabrieken in Soerabaya.
Verweerster wees het verzoek af omdat niet was gebleken of aannemelijk gemaakt dat eiser vervolging in de zin van de Wet had ondergaan. De Raad onderzocht beschikbare archieven van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie en de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, maar vond geen bevestiging van het relaas van eiser. Ook getuigenverklaringen leverden geen ondersteuning.
De Raad overwoog dat een vervolgingsrelaas niet uitsluitend op eigen verklaring kan steunen, maar objectieve aanvullende gegevens vereist. Gezien het ontbreken daarvan verklaarde de Raad het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van vervolging in de zin van de Wet.