ECLI:NL:CRVB:2005:AT9854
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- M.C.M. van Laar
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boetenota voor verzekeringsplicht directeuren onderneming
Appellante, een onderneming die tot 1999 groothandelsactiviteiten verrichtte en daarna projectinrichting, had twee directeuren die vanaf 1 januari 1999 tot 1 maart 2000 elk 50% van de aandelen hielden en de directie voerden. Gedaagde stelde vast dat vanaf 2 maart 2000 de directeuren verzekeringsplichtig waren voor werknemersverzekeringen en legde boetenota's op over de jaren 2000 tot en met 2003 ter hoogte van 25% van de ambtshalve vastgestelde premies.
Appellante betwistte de boetenota's met het argument dat zij niet verantwoordelijk was voor het niet tijdig toezenden van jaaropgaven en dat er geen sprake was van opzet of grove schuld. Ook stelde zij dat de boeten beperkt moesten worden tot de premies voor de Werkloosheidswet omdat er al vrijwillige WAO-verzekeringen waren afgesloten.
De Raad oordeelde dat appellante wel degelijk verantwoordelijk was voor het doen van loonopgave en dat het nalaten hiervan opzet of grove schuld oplevert. De vrijwillige WAO-verzekering ontslaat niet van de verplichting tot loonopgave en kan de boete niet verminderen. Het hoger beroep werd verworpen en de boetenota bevestigd.
De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheid van de werkgever om bij twijfel informatie in te winnen en tijdig aan de verplichtingen te voldoen. De Raad zag geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de boetenota van 25% over de premies voor de directeuren en wijst het hoger beroep af.