ECLI:NL:CRVB:2005:AT9846
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- M.C.M. van Laar
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verzekeringsplicht interim-managers en afwijzing matiging premieafdracht
Appellante, actief in interim management, stelde bezwaar in tegen correctie- en boetenota’s van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) over de jaren 1996-1999. Deze nota’s betroffen niet afgedragen premies en boetes wegens verzekeringsplicht van door appellante aangetrokken interim-managers. Tevens verzocht appellante om toepassing van een 50%-regeling uit een convenant.
De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond en stelde vast dat de verzekeringsplicht reeds vanaf 3 maart 1995 bestond, en dat appellante geen bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 26 november 1996. De rechtbank oordeelde dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden voor het convenant en dat er sprake was van opzet of grove schuld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De brief van 26 november 1996 werd aangemerkt als een appellabel besluit, waartegen appellante geen bezwaar had ingesteld. Het verzoek tot matiging werd afgewezen omdat appellante niet voldeed aan de convenantsvoorwaarden en er sprake was van opzet of grove schuld. Het beroep bevatte geen nieuwe gezichtspunten en werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verzekeringsplicht en wijst het verzoek tot matiging van premieafdracht en boetes af.