ECLI:NL:CRVB:2005:AT9831
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als boekettenmaakster, viel uit wegens klachten aan haar rechterarm en pols en een later auto-ongeval met nek-, schouder- en onderrugklachten. Hoewel zij haar eigen werkzaamheden niet meer kan verrichten, achtte het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen haar in staat om andere voorbeeldfuncties uit te oefenen waarmee zij circa 90% van haar maatvrouwinkomen kan verdienen. Daarom werd zij per 7 februari 2002 als minder dan 15% arbeidsongeschikt beschouwd en niet voor een WAO-uitkering in aanmerking gebracht.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat de beperkingen onderschat waren, met name vanwege onvoldoende onderzoek naar haar whiplashklachten. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts voldoende medisch onderzoek hadden gedaan en dat de medische gegevens van de behandelende sector geen ander oordeel rechtvaardigden. Ook het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren en overhandigde een verklaring van een fysiotherapeut, maar de Raad stelde vast dat dit geen nieuwe gezichtspunten bevatte en de juistheid van het bestreden besluit niet in twijfel trok. De Raad sloot zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en bevestigde het besluit. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.