ECLI:NL:CRVB:2005:AT9605
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om zijn WAO-uitkering te herzien van 80-100% naar 35-45% arbeidsongeschiktheid per 23 april 2002. Na een medische en arbeidskundige beoordeling werd het bezwaar ongegrond verklaard door het UWV en vervolgens door de rechtbank bevestigd.
De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep waarbij appellant niet verscheen. De Raad vond het medische en arbeidskundige onderzoek adequaat en toereikend om de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Appellant had zijn stellingen onvoldoende onderbouwd met medische stukken en zijn bezwaren berustten vooral op subjectieve opvattingen.
De Raad concludeerde dat de functies die appellant nog zou kunnen vervullen medisch passend zijn en dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, waarmee de herziening van de WAO-uitkering naar 35-45% gehandhaafd blijft.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.