ECLI:NL:CRVB:2005:AT9490
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid
Appellant is sinds 4 januari 1999 wegens vermoeidheidsklachten uitgevallen en lijdt aan congenitale sferocytose, een erfelijke bloedarmoede. Gedaagde (UWV) heeft vastgesteld dat appellant niet geschikt is voor zijn eigen werk, maar wel andere passende functies kan vervullen, waardoor hij minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Daarom werd de WAO-uitkering geweigerd.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat zijn beperkingen groter zijn dan erkend, mede door psychische klachten. De bezwaarverzekeringsarts en de rechtbank concludeerden op basis van medisch advies dat de beperkingen juist waren ingeschat en dat appellant voldoende functies kon vervullen. De rechtbank vernietigde het besluit deels vanwege een arbeidskundige fout bij de functie-indeling.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij verdergaande beperkingen heeft, maar zonder nieuwe objectieve medische gegevens. Het UWV heeft aanvullend onderzoek gedaan en concludeerde dat ondanks het vervallen van een functie voldoende passende functies overblijven, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid onder 15% blijft.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtbankuitspraak en verklaart het beroep van appellant ongegrond. Er zijn geen nieuwe feiten of medische gegevens die aanleiding geven tot een ander oordeel. Het besluit van 22 december 2003, dat het bezwaar ongegrond verklaart, wordt eveneens bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt bevestigd.