ECLI:NL:CRVB:2005:AT9294
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding en duurzaam gescheiden leven
Verzoekster had bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), maar deze aanvraag werd door het College van burgemeester en wethouders afgewezen omdat verzoekster een gezamenlijke huishouding voerde met haar echtgenoot en diens inkomen voldoende was om in de noodzakelijke kosten te voorzien.
De voorzieningenrechter van de rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verzoekster ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat verzoekster en haar echtgenoot niet duurzaam gescheiden leefden, ondanks dat de echtgenoot regelmatig tijdelijk elders verbleef vanwege de psychische gesteldheid van verzoekster. De feitelijke omstandigheden, waaronder het gezamenlijk huishouden en de aanwezigheid van persoonlijke bezittingen, wezen op een gezamenlijke huishouding. Hierdoor had verzoekster geen zelfstandig recht op bijstand.
De Raad vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter omdat het verkeerde criterium (gezamenlijke huishouding) was toegepast in plaats van duurzaam gescheiden leven, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en de gemeente werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Verzoekster had geen zelfstandig recht op bijstand omdat zij niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot, waardoor de aanvraag terecht werd afgewezen.