ECLI:NL:CRVB:2005:AT9146

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/2266 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23, zevende lid (oud) ARARArt. 23, achtste lid (oud) ARARArt. 24, eerste lid (oud) ARARArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing uitbetaling niet-genoten verlof na eervol ontslag ambtenaar

Appellant, voormalig ambtenaar van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verzocht om uitbetaling van 636 niet-genoten verlofuren na zijn eervol ontslag per 1 september 2002. Gedaagde betaalde slechts 108 uren uit, waarna appellant bezwaar maakte dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep stelde appellant dat de zogenaamde 'verlofvariant G', die het opsparen en aaneengesloten opnemen van compensatie-uren mogelijk maakt, op hem van toepassing was. De Raad oordeelde echter dat hiervoor geen toestemming was gegeven en dat de enkele handgeschreven aantekening op de verlofkaart onvoldoende bewijs vormde. Tevens bleek uit de verlofkaarten dat appellant zijn compensatie-uren steeds had opgenomen of laten uitbetalen.

De Raad volgde het standpunt van gedaagde dat de door appellant zelf bijgehouden verlofkaarten, zonder paraaf van de leidinggevende, onvoldoende basis boden voor een hogere uitbetaling. Bovendien was vastgesteld dat niet opgenomen verlofdagen boven het maximum per 1 januari 1995 vervielen. De Raad concludeerde dat appellant niet te kort was gedaan met de uitbetaling van verlofuren en bevestigde het eerdere vonnis. Proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beperkte uitbetaling van verlofuren wordt bevestigd.

Uitspraak

04/2266 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 maart 2004, nr. AWB 03/1948 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 26 mei 2005, waar appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.C. Zielhorst en mr. H.A. Westra, beiden werkzaam bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM).
II. MOTIVERING
1. Aan appellant is met ingang van 1 september 2002 op zijn verzoek eervol ontslag verleend uit zijn functie van [naam functie] van de directie [naam dienst]. Bij schrijven van 26 augustus 2002 heeft appellant aan gedaagde verzocht hem 636 verlofuren uit te betalen. Bij besluit van 20 januari 2003, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 april 2003, heeft gedaagde meegedeeld 108 verlofuren aan appellant uit te betalen.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.
3.1. Appellant is van mening dat uit zijn dossier blijkt dat met betrekking tot zijn compensatie-uren in de jaren 1998 tot en met 2002 “verlofvariant G” is toegepast. Deze variant is beschreven in de nota van de directeur Personele Zaken bij het Ministerie van VROM van 31 december 1996 met kenmerk 9607638, welke verwijst naar de circulaire van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van 16 december 1996 met kenmerk AD96/U958. Deze variant houdt in dat men bij een 36-urige werkweek 40 uur kan werken, de opgebouwde compensatie-uren over een periode van maximaal zeven jaar kan opsparen en aaneengesloten kan opnemen.
3.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet is gebleken dat variant G in het geval van appellant is toegepast. Voor het jaar 1997 is door appellant gekozen voor een andere verlofvariant en naar appellant ook heeft erkend, is hierna nooit een afspraak gemaakt voor toepassing van deze variant. Gelet op het feit dat voor toepassing van de G-variant toestemming moet zijn verleend door het bevoegd gezag en dat nadere afspraken moeten worden gemaakt met betrekking tot de invulling hiervan en gelet op de eis dat een en ander op schrift wordt gesteld, is de handgeschreven, niet nader omschreven aantekening “verlofvariant G” op de verlofkaart van appellant van 2002 in dit kader onvoldoende om toepassing van variant G aan te nemen. Met de rechtbank constateert de Raad dat uit de compensatie/ADV-verlofkaarten blijkt dat appellant zijn compensatie-uren steeds heeft opgenomen, dan wel heeft laten uitbetalen, zodat geen uren resteerden.
3.3. Gedaagde heeft op 20 januari 2003 besloten met toepassing van artikel 24, eerste lid (oud), van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) op basis van de vakantie- en verlofkaarten van appellant uit te betalen de 36 verlofuren die volgens berekening van appellant in 2002 nog niet waren opgenomen en 72 verlofuren uit de voorgaande periode, zijnde het maximaal aantal uren (vakantie) verlof dat appellant op grond van artikel 23, zevende lid (oud), van het ARAR uit het jaar 2001 mocht laten overschrijven naar 2002. Het standpunt van gedaagde dat de door appellant zelf bijgehouden verlofkaarten, welke niet door zijn leidinggevende waren geparafeerd, onvoldoende basis vormen voor een verdergaande uitbetaling van verlofuren kan de Raad volgen. Door gedaagde is onweersproken gesteld dat aan appellant geen toestemming was verleend voor het overschrijven van een groter aantal verlofuren, zoals op grond van artikel 23, achtste lid (oud), van het ARAR is voorgeschreven. Voorts staat vast dat reeds vanaf 1 januari 1995 de niet opgenomen vakantieverlofdagen boven het genoemde maximum kwamen te vervallen. De Raad is van oordeel dat appellant onder de gegeven omstandigheden met de uitbetaalde verlofuren niet te kort is gedaan.
4. Gezien het vorenstaande treft het hoger beroep van appellant geen doel en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2005.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) J.P. Grauss.
Q.