ECLI:NL:CRVB:2005:AT8390
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep en veroordeling proceskosten door Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 november 2003. Verzoekers, vertegenwoordigd door mr. R.L.J.J. Vereijken, dienden een verweerschrift in. Het bestuursorgaan trok het hoger beroep op 23 maart 2005 in. Verzoekers verzochten vervolgens om vergoeding van de proceskosten die zij in hoger beroep hadden gemaakt.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van artikel 21a van de Beroepswet, bij intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij kan worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten van het geding. De Raad achtte het verzoek gegrond en begrootte de proceskosten op € 322,--, uitsluitend voor de kosten van het hoger beroep, aangezien de kosten van de eerste aanleg reeds door de rechtbank waren toegewezen.
De Raad veroordeelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot betaling van deze proceskosten. De uitspraak werd gedaan door mr. R.C. Schoemaker, in aanwezigheid van griffier T. Hemelrijk-van den Oudenalder, en is niet meer vatbaar voor rechtsmiddel.
Uitkomst: Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is veroordeeld tot betaling van € 322,-- aan proceskosten na intrekking van het hoger beroep.