ECLI:NL:CRVB:2005:AT8297
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gedifferentieerde premie WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid vertegenwoordiger
Appellante, een werkgever, maakte bezwaar tegen een besluit waarbij zij een gedifferentieerde premie moest betalen wegens een WAO-uitkering aan een werknemer die uitviel met psychische klachten. De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had deze premie opgelegd op basis van een uitkering toegekend vanaf 1993.
De rechtbank oordeelde dat voor de premiedifferentiatie alleen relevant is of de werknemer op het moment van arbeidsongeschiktheid in dienst was, ongeacht of de werkgever verwijt treft of de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid. Appellante voerde onder meer aan dat de werknemer al arbeidsongeschikt was bij indiensttreding en dat zij niet in staat was de arbeidsongeschiktheid te voorkomen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de werknemer bij aanvang van het dienstverband arbeidsgeschikt was en dat de toekenning van de WAO-uitkering op medische gronden terecht is. Ook wijst de Raad de grieven over vermeende rechtsongelijkheid en schending van artikel 6 EVRM Pro af. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 23 november 2004 ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 23 november 2004 wordt ongegrond verklaard.