ECLI:NL:CRVB:2005:AT8236
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- M.C.M. van Laar
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over verzekeringsplicht thuiswerksters
Appellante stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 februari 2004, waarin het beroep van appellante tegen het besluit van 22 januari 2003 deels gegrond werd verklaard en deels niet-ontvankelijk werd verklaard. De credit-correctienota's betroffen vervallen correcties voor een aantal thuiswerksters, maar niet voor de twee thuiswerksters die eerder door de rechtbank in 1999 als werknemers waren aangemerkt.
De rechtbank had in 1999 vastgesteld dat er een dienstbetrekking bestond tussen appellante en deze twee thuiswerksters en dat de correctienota's terecht waren opgelegd. Tegen die uitspraak was geen rechtsmiddel ingesteld, waardoor deze formele rechtskracht heeft gekregen. Gedaagde had daarna geen nieuw besluit genomen over deze twee thuiswerksters, maar alleen correctienota's uitgegeven voor andere thuiswerksters.
Appellante klaagde dat de onaantastbaarheid van de eerdere uitspraak haar werd tegengeworpen, terwijl de rechtbank in 2001 haar grieven als prematuur had bestempeld. De Raad oordeelde dat ondanks de ongelukkige formulering van de rechtbank in 2001, het hoger beroep niet kon slagen omdat er geen nieuw besluit met rechtsgevolg voor de twee thuiswerksters was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor de twee thuiswerksters.