ECLI:NL:CRVB:2005:AT8078

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/5921 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens tijdige betaling griffierecht

Opposant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was ontvangen.

Opposant kwam in verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. De Raad stelde vast dat het griffierecht tijdig was betaald, namelijk op 23 december 2004 op de oude bankrekening van de Raad.

Op grond hiervan verklaarde de Centrale Raad van Beroep het verzet gegrond, waardoor de eerdere niet-ontvankelijkverklaring verviel en het onderzoek werd voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Er was geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het onderzoek wordt voortgezet.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/5921 ZW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], Marokko, opposant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, heeft als gemachtigde van opposant hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 2 september 2004 tussen partijen gegeven uitspraak, reg.nr. 03/3120 ZW.
Bij uitspraak van 29 april 2005, welke op 4 mei 2005 aan partijen is verzonden, heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Gemachtigde van opposant is tijdig van die uitspraak in verzet gekomen.
Gelet op het hierna onder II overwogene heeft de Raad het niet nodig geacht opposant in de gelegenheid te stellen over het verzet te worden gehoord.
II. MOTIVERING
Bij uitspraak van 29 april 2005 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de Raad het verschuldigde griffierecht ad € 102,- niet binnen de in de brief van de Raad van 3 december 2004 gestelde termijn heeft ontvangen.
Ten gevolge van het gedane verzet ligt thans de vraag voor of terecht het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend.
De Raad heeft geconstateerd, zoals tevens door de gemachtigde van opposant in het verzetschrift is aangegeven, dat het verschuldigde griffierecht ad € 102,- op 23 december 2004 op de (oude) bankrekening van de Raad is bijgeschreven.
Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder c van de Awb gegrond te worden verklaard. Gegeven het bepaalde in het zevende lid van laatstbedoeld artikel vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet gegrond.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.