ECLI:NL:CRVB:2005:AT8045

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6066 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 AbwArt. 113 AbwArt. 2 Wet sociale werkvoorziening
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek bijzondere bijstand voor managementopleiding na universitaire studie

Appellant, die in 2000 een universitaire studie rechtsgeleerdheid heeft afgerond, verzocht op 2 september 2002 om bijzondere bijstand voor de kosten van een tweejarige managementopleiding bij het Instituut Nimbas te Utrecht. Dit verzoek werd door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam afgewezen omdat de opleiding niet als noodzakelijk werd beschouwd.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en ook in hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze beslissing. De Raad baseert zich op artikel 39 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw), waarin staat dat bijzondere bijstand alleen wordt toegekend voor noodzakelijke kosten die niet uit de bijstandsnorm kunnen worden voldaan.

Volgens vaste rechtspraak vormt het reeds behaalde universitaire opleidingsniveau een voldoende basis voor (her)inschakeling in arbeid. Appellant kon niet aantonen dat in zijn situatie van dit uitgangspunt moest worden afgeweken. Bovendien bepaalt artikel 113 van Pro de Abw dat in beginsel alle arbeid passend is die aansluit bij de krachten en bekwaamheden van de belanghebbende.

De kosten van de managementopleiding kunnen daarom niet als noodzakelijke kosten van het bestaan worden aangemerkt. De Raad ziet geen reden om af te wijken van deze beoordeling en wijst het hoger beroep af. Tevens worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek om bijzondere bijstand voor de managementopleiding wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

03/6066 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. P. Goettsch advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2003, reg.nr. 02/5647 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 31 meii 2005, waar voor appellant is verschenen mr.Goettsch, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr M. Diderich. werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontvangt in aansluiting op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, waarvan de maximale duur op 25 maart 2002 was verstreken, sinds 26 maart 2002 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Appellante heeft in 2000 een universitaire studie rechtsgeleerdheid afgerond. Op 2 september 2002 heeft appellant gedaagde verzocht om bijzondere bijstand in de kosten van een tweejarige managementopleiding bij het instituut Nimbas te Utrecht.
Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 12 september 2002 op de grond dat deze opleiding voor hem niet noodzakelijk is.
Bij besluit van 12 september 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 21 augustus 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 31 oktober 20023 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 39, eerste lid, van de Abw is bepaald dat, onverminderd hoofdstuk II, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.
De door appellant thans aangevraagde vergoeding betreft het volgen van een managementopleiding op Hbo-niveau. Voor degenen die, zoals appellant, een opleiding op het niveau van wetenschappelijk onderwijs hebben genoten, geldt volgens vaste rechtspraak als uitgangspunt dat het al bereikte opleidingsniveau een voldoende basis vormt voor de (her)inschakeling in arbeid. De door en namens appellant aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen niet dat in zijn geval van dit uitgangspunt wordt afgeweken. De Raad merkt daarbij op dat op grond van artikel 113, tweede lid, van de Abw in beginsel alle arbeid passend is die voor de krachten en bekwaamheden van de belanghebbende berekend is, met uitzondering van arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet sociale werkvoorziening.
Het voorgaande brengt met zich mee dat de kosten van de managementopleiding bij het Instituut Nimbas niet kunnen worden aangemerkt als noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Abw.
In hetgeen met betrekking tot de Regeling noodzakelijke scholing namens appellant is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr.Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.C. de Wit.
RB0706