ECLI:NL:CRVB:2005:AT7784

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/3611 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • J. Janssen
  • D.J. van der Vos
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:55 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in sociale zekerheidszaak

De Centrale Raad van Beroep behandelde het verzet tegen de uitspraak van 19 november 2004, waarin het hoger beroep van opposante niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet tijdig indienen van de beroepsgronden. Opposante, woonachtig in Turkije, had in haar hoger beroepschrift verwezen naar haar eerdere beroepschrift bij de rechtbank en gesteld dat het primaire besluit in strijd was met verschillende verdragen.

Hoewel zij geen afschrift van het eerdere beroepschrift had bijgevoegd, oordeelde de Raad dat er onvoldoende grond was om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De Raad besloot het verzet gegrond te verklaren en de eerdere uitspraak te laten vervallen.

Conform artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond, waardoor de zaak inhoudelijk verder behandeld kan worden.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Uitspraak

04/3611 ANW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
[opposante], wonende in Turkije, opposante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
De Raad heeft bij uitspraak van 19 november 2004 het namens opposante ingestelde hoger beroep tegen een ten aanzien van haar gegeven uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2004, nummer AWB 02/5122 ANW, niet-ontvankelijk verklaard wegens het onverontschuldigbaar niet tijdig indienen van de beroepsgronden.
Tegen die uitspraak heeft M. Sevim, als attaché werkzaam bij het Consulaat – Generaal van de Republiek Turkije te Rotterdam, namens opposante een verzetschrift ingediend.
Het verzet is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 april 2005, waar opposante is verschenen bij gemachtigde en geopposeerde zich – met voorafgaand bericht – niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Ten gevolge van het gedane verzet dient de Raad thans de vraag te beantwoorden of de bij zijn uitspraak van 19 november 2004 uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring in stand kan blijven. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend.
In haar (hoger) beroepschrift heeft opposante wat de motivering van haar hoger beroep betreft verwezen naar ten eerste de inhoud van haar bij de rechtbank ingediende beroepschrift, zulks onder aantekening dat de inhoud daarvan als herhaald en ingelast kan gelden, en vervolgens gesteld dat zij blijft bij haar standpunt dat het primaire besluit in strijd met verschillende verdragen is. Opposante heeft bij haar (hoger) beroepschrift geen afschrift van het door haar bij de rechtbank ingediende beroepschrift gevoegd. Gegeven dat opposante in haar (hoger) beroepschrift tevens heeft gesteld dat zij blijft bij haar standpunt dat het primaire besluit in strijd met verschillende verdragen is èn dat uit de door opposante wèl in afschrift bijgevoegde aangevallen uitspraak duidelijk naar voren komt waarom zij dat – door de rechtbank met een uitgebreide motivering niet gedeelde – standpunt huldigt, is de Raad evenwel van oordeel dat er onvoldoende grond was om opposante (kennelijk) niet-ontvankelijk te verklaren.
Uit het vorenstaande volgt dat het namens opposante gedane verzet gegrond dient te worden verklaard.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervalt de uitspraak waartegen verzet is gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Met toepassing van artikel 8:55 van Pro de Awb wordt daarom beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet gegrond.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
GdJ