ECLI:NL:CRVB:2005:AT7534
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- M.C.M. van Laar
- drs. C.M. van Wechem
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling WW-dagloon en terugvordering onverschuldigde uitkering
Appellant betwistte de vaststelling van zijn WW-dagloon en de daarop gebaseerde terugvordering van een deel van de WW-uitkering. De Raad oordeelde dat het WAO-dagloon onherroepelijk vaststaat en dat het WW-dagloon overeenkomstig de geldende Dagloonregels IWS correct is berekend, mede gelet op de Duitse invaliditeitsuitkering die appellant ontvangt.
Appellant voerde aan dat de Duitse uitkering geen invaliditeitsuitkering was en dat de rechtbank onvoldoende onderzoek had gedaan naar de toepassing van de anticumulatieregeling. De Raad stelde echter vast dat de uitkering uit Duitsland kwalificeert als een invaliditeitsuitkering volgens artikel 7 van Pro het Bijzonder Dagloonbesluit en dat appellant dit niet aannemelijk heeft tegengesproken.
Verder oordeelde de Raad dat de terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag op grond van artikel 36 van Pro de WW terecht is en dat geen dringende redenen aanwezig zijn om van terugvordering af te zien. De berekening van appellant was onvolledig en hield geen stand tegen het bewijs van het UWV.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraken van de rechtbank Zutphen en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het WW-dagloon correct is vastgesteld en de terugvordering van onverschuldigde uitkering terecht is.