ECLI:NL:CRVB:2005:AT6895
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Weigering vaste aanstelling wegens vermeende kritische houding onvoldoende onderbouwd
Betrokkene was sinds 1 januari 1999 in tijdelijke dienst bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en diende per 1 januari 2001 een vaste aanstelling te krijgen. De Minister weigerde dit op grond van een vermeend negatieve, kritische en demotiverende houding en onvoldoende functioneren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde op 4 maart 2004 dat deze weigering niet zorgvuldig was genomen en onvoldoende feitelijk was onderbouwd, waarna de Minister een nieuw besluit moest nemen.
Bij besluit van 5 juli 2004 handhaafde de Minister de weigering met aanvullende voorbeelden van negatief gedrag. Betrokkene stelde beroep in tegen het uitblijven van een nieuw besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat de nieuwe onderbouwing onvoldoende concreet was en dat betrokkene niet in de gelegenheid was gesteld te reageren, waardoor het besluit onzorgvuldig tot stand kwam.
De voorzieningenrechter wees het verzoek van de Minister om schorsing van de eerdere uitspraak af en beval de Minister binnen vier weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de eerdere uitspraak. Tevens werd de Minister veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het verzoek van de Minister om schorsing wordt afgewezen en de Minister wordt opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen.