ECLI:NL:CRVB:2005:AT5945
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing medische en arbeidskundige geschiktheid
Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn WAO-uitkering per 1 november 2000, waarbij de Raad van bestuur van het UWV het standpunt innam dat de intrekking op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berustte. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat onvoldoende rekening was gehouden met de sterk verminderde knijpkracht van de linkerhand van appellant, terwijl de functie van stikster een hogere belastbaarheid op het aspect reiken vereist dan appellant aankan.
Verder was onduidelijkheid gerezen over de geschiktheid van de functie van verspener, waarbij appellant zich overvallen voelde door een gewijzigde standpuntmededeling tijdens de zitting. De Raad vond dat dit in strijd was met een goede procesorde. De resterende functies waarop de arbeidsongeschiktheidsschatting gebaseerd was, leidden tot een verlies aan verdiencapaciteit van circa 27%, wat niet overeenkomt met het besluit dat de arbeidsongeschiktheid op minder dan 15% stelde.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, waarbij ook de samenhang tussen de beperkingen en de functie-eisen opnieuw beoordeeld moet worden. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.