ECLI:NL:CRVB:2005:AT5866
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- M.I. ’t Hooft
- W.I. Degeling
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding en inkomen
Appellante ontving sinds 1985 een bijstandsuitkering als alleenstaande. Gedaagde beëindigde met terugwerkende kracht het recht op uitkering over de periode van mei 1996 tot november 1998 vanwege het verzwegen van een gezamenlijke huishouding en inkomsten uit arbeid. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen dit besluit deels gegrond en vernietigde het besluit voor de periode tot juni 1998, maar bevestigde de intrekking voor de periode daarna vanwege de gezamenlijke huishouding.
Appellante stelde in hoger beroep dat zij ten onrechte niet was gehoord voorafgaand aan het besluit van januari 2001 en dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde. De Raad oordeelde dat het horen niet noodzakelijk was omdat appellante reeds voldoende gelegenheid had gehad haar visie te geven. Het standpunt over de gezamenlijke huishouding was onherroepelijk vastgesteld door de eerdere uitspraak van de rechtbank.
De Raad stelde vast dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden door de gezamenlijke huishouding niet te melden, waardoor de bijstand over de periode juni tot november 1998 ten onrechte was verleend. De terugvordering was terecht, omdat het gezamenlijke inkomen boven de norm lag en er geen dringende redenen waren om hiervan af te zien. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding en inkomen wordt bevestigd.