ECLI:NL:CRVB:2005:AT5846
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- M.I. ’t Hooft
- W.I. Degeling
- Rechtspraak.nl
Weigering nieuwe bijstandsuitkering wegens ontbreken relevante wijziging omstandigheden
Appellante ontving tot 1 oktober 2000 een bijstandsuitkering die werd beëindigd vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar voormalige echtgenoot. Na beëindiging diende zij op 20 november 2000 een nieuwe aanvraag in voor bijstand. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede wees deze aanvraag af omdat niet was aangetoond dat de omstandigheden sinds het einde van de eerdere uitkering relevant waren gewijzigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en in hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. Appellante stelde dat haar voormalige echtgenoot slechts gemiddeld twee dagen per week bij haar verbleef en niet op vaste dagen, maar dit werd niet voldoende geacht om te concluderen dat de gezamenlijke huishouding was beëindigd.
Verklaringen van familieleden en de voormalige echtgenoot zelf dat hij op een ander adres woonde, waren niet doorslaggevend. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd dat haar voormalige echtgenoot op de datum van de aanvraag niet langer zijn hoofdverblijf bij haar had. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de bijstandsuitkering wegens het ontbreken van een relevante wijziging in de omstandigheden.