ECLI:NL:CRVB:2005:AT5322
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Herziening nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht en afzien bij kennelijke onredelijkheid
De zaak betreft een geschil tussen de Sociale verzekeringsbank (appellant) en een gedaagde over de herziening van een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De uitkering werd met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1998 herzien vanwege hogere inkomsten van gedaagde die niet tijdig waren gemeld. De rechtbank had het besluit van de Sociale verzekeringsbank vernietigd omdat gedaagde niet redelijkerwijs kon weten dat zij te veel uitkering ontving.
In hoger beroep stelt de Raad dat gedaagde vanaf februari 1998 wel degelijk had kunnen begrijpen dat haar hogere inkomen invloed had op de uitkering, mede omdat zij salarisverhogingen niet had gemeld. De Raad bevestigt dat de herziening op grond van artikel 34 ANW Pro correct is, maar oordeelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid omdat niet is onderzocht of de herziening kennelijk onredelijk ingrijpend is voor gedaagde.
De Raad benadrukt dat de Sociale verzekeringsbank bij terugvordering met terugwerkende kracht rekening moet houden met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel en de bijzondere omstandigheden van het geval. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beslissing op bezwaar waarbij deze aspecten worden betrokken. Tevens wordt de Sociale verzekeringsbank veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: De herziening van de nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht is terecht, maar de Sociale verzekeringsbank dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de zorgvuldigheid en kennelijke onredelijkheid.