ECLI:NL:CRVB:2005:AT5230
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als medewerker interne dienst en zelfstandige, werd wegens rugklachten en een arbeidsconflict arbeidsongeschikt verklaard. Het UWV weigerde hem een WAO-uitkering toe te kennen omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank bevestigde deze beoordeling.
In hoger beroep stelde appellant dat hij op medische gronden volledig arbeidsongeschikt was. De Raad oordeelde echter dat de medische belastbaarheid juist was vastgesteld door verzekeringsartsen en dat de eigen niet-onderbouwde mening van appellant onvoldoende gewicht had. Ook werd geen aanleiding gezien voor nader deskundigenonderzoek.
Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling werd erkend dat slechts twee van de oorspronkelijk zes geschikte functies daadwerkelijk passend waren vanwege wisseldiensten. Het UWV bracht later een derde functie in die op de datum in geding ook bestond. De Raad concludeerde dat de schatting van minder dan 15% arbeidsongeschiktheid op deze functies terecht was.
Desondanks vernietigde de Raad het besluit en de uitspraak van de rechtbank omdat het UWV het besluit ondeugdelijk had gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig had voorbereid door de latere toevoeging van functies. De rechtsgevolgen van het besluit bleven echter in stand. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om appellant geen WAO-uitkering toe te kennen wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.