ECLI:NL:CRVB:2005:AT5207

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/553 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens vervallen procesbelang bij WAO-uitkeringsbesluit

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) waarin werd vastgesteld dat hij geen WAO-uitkering kan krijgen wegens het ontbreken van verzekering. De rechtbank Amsterdam had het beroep ongegrond verklaard. Tijdens het hoger beroep heeft het Uwv aangegeven het bestreden besluit niet langer te handhaven, waarmee het besluit als ingetrokken kan worden beschouwd.

De Raad overwoog dat het intrekken van het besluit het belang van appellant bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit laat vervallen, tenzij er een ander belang is, zoals een verzoek om schadevergoeding. Appellant heeft geen dergelijk verzoek gedaan en er is geen ander belang gebleken. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast veroordeelde de Raad het Uwv tot betaling van de proceskosten van appellant in zowel eerste aanleg als hoger beroep, en bepaalde dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed. Het verzoek van het Uwv om nader onderzoek naar de arbeidsongeschiktheid toe te staan, werd afgewezen omdat dit een ander geschilpunt zou betreffen dan in eerdere procedures aan de orde was.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vervallen procesbelang na intrekking van het bestreden besluit.

Uitspraak

02/553 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij het bestreden besluit van 25 januari 2000 heeft gedaagde vastgesteld dat aan appellant geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) kan worden toegekend omdat appellant niet verzekerd is ingevolge de WAO.
Bij uitspraak van 13 december 2001, nr. WAO 00/314, heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. P.J. de Graaf, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft gedaagde laten weten het bestreden besluit niet te handhaven. Gedaagde heeft de raad om toestemming verzocht om nader onderzoek te doen naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant bij einde wachttijd. De Raad heeft dit verzoek afgewezen onder de overweging dat aldus een volstrekt ander punt van geschil zou kunnen rijzen dan het punt van geschil dat in bezwaar en in eerste aanleg aan de orde is geweest.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft te kennen gegeven het in het bestreden besluit ingenomen standpunt niet langer te handhaven. Hierdoor kan dit besluit geacht worden te zijn ingetrokken. Uit ’s Raads uitspraak van 4 februari 1997, gepubliceerd in RSV 1997/297, volgt dat in zo'n geval belang bij een beoordeling van dat besluit in principe is komen te vervallen, tenzij van zo'n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Awb.
Appellant heeft een dergelijk verzoek niet gedaan. Evenmin is gebleken dat appellant anderszins belang heeft bij een inhoudelijk oordeel van de Raad. Het hoger beroep moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 966,- te betalen door het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 109,82 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) S. Sweep.