ECLI:NL:CRVB:2005:AT4928
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening arbeidsongeschiktheidspercentage WAO ondanks medische klachten
Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van zijn WAO-uitkering, waarbij zijn arbeidsongeschiktheidspercentage werd verlaagd van 80-100% naar 35-45%. Hij stelde dat zijn medische beperkingen, voortkomend uit een arbeidsongeval en diverse operaties, niet juist waren vastgesteld en dat er geen sprake was van een stabiele eindtoestand.
De Raad beoordeelde de medische gegevens en concludeerde dat de verzekeringsartsen een juist medisch oordeel hadden gegeven. Het feit dat appellant nog klachten had aan schouder, nek, oren en mond, en dat een tweede operatie na de datum in geding plaatsvond, leidde niet tot een ander oordeel. De Raad vond geen aanwijzingen dat de belastbaarheid was onderschat.
Ook de arbeidskundige beoordeling dat appellant geschikt was voor bepaalde functies werd door de Raad onderschreven. Het bezwaar dat er geen aanvullende informatie bij de behandelende sector was opgevraagd, werd verworpen omdat de verzekeringsartsen op eigen onderzoek konden afgaan.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en oordeelde dat er geen grond was voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De rechtbank had eerder het besluit gedeeltelijk vernietigd en een hogere mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld, maar de Centrale Raad handhaafde het lagere percentage. De uitspraak werd gedaan door rechter C.W.J. Schoor op 26 april 2005.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid.