ECLI:NL:CRVB:2005:AT4926
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAZ-uitkering gedetineerde met onjuiste overgangstermijn
Appellant vroeg in juli 1999 een WAZ-uitkering aan, waarbij hij aangaf sinds mei 1991 arbeidsongeschikt te zijn vanwege detentie. Na aanvankelijke afwijzing kende gedaagde de uitkering toe met ingang van 9 juli 1998, maar trok deze per 1 juni 2000 in op grond van de Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden (Wsg), met een overgangstermijn van slechts één maand.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en verwierp de internationale rechtsgronden van appellant. De Centrale Raad van Beroep verwijst naar eerdere uitspraken waarin deze grieven grotendeels zijn verworpen, maar oordeelt dat de overgangstermijn van één maand onvoldoende is in verhouding tot de rechten van appellant en strijdig met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en verklaart het beroep gegrond. Gedaagde dient een nieuw besluit te nemen met een langere overgangstermijn, waarbij zes maanden als passend wordt beschouwd. Tevens wordt gedaagde veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het terugbetalen van het gestorte recht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAZ-uitkering met een overgangstermijn van één maand wordt vernietigd en gedaagde dient een nieuw besluit te nemen met een langere overgangstermijn.