ECLI:NL:CRVB:2005:AT4860
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als medewerker bij een gemeente, viel op 9 december 1999 uit wegens fibromyalgie. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde haar een WAO-uitkering toe te kennen omdat zij niet gedurende 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was en op 7 december 2000 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond op basis van medische rapporten van een reumatoloog en een zenuwarts, die geen objectieve aanwijzingen vonden voor verminderde belastbaarheid die arbeid belemmerde. Contra-expertise met een belastbaarheidsonderzoek werd door de rechtbank niet overtuigend geacht, mede vanwege de methodologische beperkingen van dergelijke onderzoeken.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze overwegingen en wees erop dat arbeidsongeschiktheid objectief medisch moet worden vastgesteld en niet kan worden gebaseerd op de eigen opvatting van de verzekerde. De Raad bevestigde het bestreden besluit en zag geen aanleiding tot nader medisch onderzoek of toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende en niet onafgebroken arbeidsongeschiktheid.