ECLI:NL:CRVB:2005:AT4553
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering wegens niet-woonachtig zijn op opgegeven adres
Appellant heeft op 25 maart 2002 een bijstandsuitkering aangevraagd met ingang van 29 januari 2002. Tijdens de behandeling van de aanvraag heeft appellant voorschotten ontvangen ter hoogte van € 1.300. Vanwege twijfel over de woonsituatie heeft het College van burgemeester en wethouders van Utrecht op 5 juni 2002 een huisbezoek afgelegd op het opgegeven adres. De hoofdbewoner verklaarde dat appellant niet daadwerkelijk op dat adres woonde, maar het slechts als postadres gebruikte.
Op grond van deze bevindingen heeft het College op 6 juni 2002 de aanvraag afgewezen en de voorschotten teruggevorderd. Het bezwaar tegen dit besluit werd op 16 oktober 2002 ongegrond verklaard. Appellant stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat hij wel degelijk woonachtig was op het adres, maar de Raad achtte de verklaring van de hoofdbewoner geloofwaardig en concludeerde dat appellant onjuiste of onvolledige informatie had verstrekt.
De Raad oordeelde dat appellant daardoor geen recht had op bijstand en dat de terugvordering van de voorschotten terecht was. Tevens werd vastgesteld dat appellant voorafgaand aan het besluit voldoende gelegenheid had gehad om te reageren. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Utrecht werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstandsuitkering wordt afgewezen omdat appellant niet woonachtig was op het opgegeven adres en de verstrekte voorschotten worden teruggevorderd.