ECLI:NL:CRVB:2005:AT4151

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/6183 WAO + 04/2145 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
  • D.J. van der Vos
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 57, vierde lid, WAOArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering en terugvordering te veel ontvangen uitkering

Appellant verzocht om een WAO-uitkering, welke door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) werd geweigerd omdat hij op de peildatum 3 augustus 1999 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad bevestigt het standpunt van het Uwv dat appellant geschikt was voor bepaalde functies, ondanks beperkingen, en dat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedroeg. De medische beoordeling door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen werd als voldoende onderbouwd beschouwd.

Appellant stelde dat de procedure onredelijk lang duurde, maar de Raad oordeelde dat de termijn binnen redelijke grenzen bleef volgens artikel 6 EVRM Pro. Ook het hoger beroep tegen de terugvordering van te veel ontvangen WAO-uitkering werd afgewezen, omdat geen dringende redenen bestonden om van terugvordering af te zien.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraken en wees het hoger beroep af. De functies die als passend werden beschouwd, vertoonden geen overschrijding van functiebelasting, waardoor het besluit tot weigering en terugvordering rechtmatig bleef.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering en de terugvordering van te veel ontvangen uitkering.

Uitspraak

02/6183 WAO + 04/2145 WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Geding 02/6183 WAO
Bij besluit van 6 november 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van
30 maart 2000 waarbij gedaagde heeft geweigerd aan appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat appellant na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 3 augustus 1999, minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
Bij uitspraak van 23 oktober 2002, nr. AWB 01/4381 WAO, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het beroep van appellant tegen het besluit van 6 november 2001 ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. M.G. Cantarella, advocaat te ’s-Gravenhage, op bij beroepschrift van 9 december 2002 aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 10 februari 2003, ingediend.
Geding 04/2145 WAO
Bij besluit van 15 mei 2003 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van
11 december 2002 waarbij gedaagde aan appellant heeft meegedeeld dat hij over de periode 3 augustus 1999 tot en met 31 maart 2000 te veel aan WAO-uitkering heeft ontvangen en dat het over deze periode ontvangen bedrag van € 7.754,73 van hem wordt teruggevorderd.
Bij uitspraak van 9 maart 2004, nr. AWB 03/2571, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het beroep van appellant tegen het besluit van 15 mei 2003 ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. Cantarella, voornoemd, op bij beroepschrift van 22 april 2004 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 1 juli 2004, ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 februari 2005, waar voor appellant is verschenen
mr. Cantarella en waar namens gedaagde is verschenen G.M. Folkers, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als zodanig zijn vermeld in de aangevallen uitspraak.
In geding 02/6183 WAO is de vraag aan de orde of het bestreden besluit van 6 november 2001 in rechte stand kan houden. Dit besluit is gebaseerd op het standpunt dat bij appellant op 3 augustus 1999, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen aanwezig waren ten aanzien van het verrichten van arbeid, maar dat hij met die beperkingen geschikt was voor de werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie hoogstverlonende functies met het voor appellant geldende maatmaninkomen resulteert volgens gedaagde in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
In hoger beroep is aangevoerd dat er geen rekening wordt gehouden met de in het belastbaarheidspatroon vermelde beperkingen en dat bij iedere functie een of meer functiebelastingen worden overschreden.
De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het bestreden besluit, wat het medisch aspect betreft, kan worden gedragen door de beschouwingen en conclusie van de verzekeringsarts N.L. van Luntesburg en de bezwaarverzekeringsarts A.J.D. Versteeg en stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank ter zake.
De bezwaararbeidsdeskundige H.W. Oranje heeft, nadat de bezwaarverzekeringsarts appellant nog aanvullend beperkt had geacht op de onderdelen “conflicthantering” en “grote verantwoordelijkheid of afbreukrisico”, de voor appellant geselecteerde functies nogmaals bekeken. Hij is tot de conclusie gekomen dat de volgende drie functies aan de schatting ten grondslag kunnen worden gelegd: productiemedewerker assemblage/monteur koffiezetters, inpakker koffiezetters en samensteller printplatenmonteur.
In de verwoordingen functiebelasting van deze functies is geen enkele markering opgenomen zodat deze functies zonder meer als passend beschouwd kunnen worden.
Ter zitting heeft appellant nog de vraag opgeworpen of, gelet op het feit dat de gehele procedure (met name de bezwaar- en hoger beroepsprocedure) zeer lang heeft geduurd, niet moet worden gesproken van overschrijding van een redelijke termijn als bedoel in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
De Raad merkt op dat appellant de gronden van het bezwaar tegen het besluit van gedaagde tot weigering van de WAO-uitkering van 30 maart 2000 eerst op 20 december 2000 heeft ingediend. Uitgaande van deze laatste datum kan niet worden staande gehouden dat de procedure tot aan de thans te geven uitspraak dermate lang heeft geduurd dat een redelijke termijn als bedoeld in het eerste lid van artikel 6 van Pro het EVRM is overschreden.
Met betrekking tot het hoger beroep van appellant dat is gericht tegen de terugvordering van het voorschot WAO overweegt de Raad dat, gelet op het feit dat gedaagde terecht heeft geweigerd aan appellant in aansluiting op de wachttijd een uitkering toe te kennen, dit hoger beroep geen doel kan treffen. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO op grond waarvan gedaagde kan besluiten geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien is naar het oordeel van de Raad geen sprake.
Gezien het vorenstaande slagen de hoger beroepen niet en komen de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 april 2005.
(get.) J. Janssen
(get.) M.H.A. Uri