ECLI:NL:CRVB:2005:AT3977
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- O.J.D.M.L. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bij vermoeidheidsklachten
Appellant, werkzaam bij een automatiseringsbedrijf, staakte zijn werkzaamheden vanwege vermoeidheidsklachten en vroeg een WAO-uitkering aan. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde deze uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd geacht. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De medische beoordeling toonde aan dat appellant weliswaar niet geschikt is voor zijn eigen maatgevende arbeid, maar wel in staat is tot het verrichten van andere functies die binnen zijn belastbaarheidspatroon vallen. De verzekeringsartsen stelden beperkingen vast op verschillende vlakken, maar deze overschreden niet de grenzen die een WAO-uitkering zouden rechtvaardigen.
Appellant voerde aan volledig ongeschikt te zijn voor loonvormende arbeid, maar kon geen medische gegevens overleggen die dit onderbouwden. De Raad volgde de rechtbank en de bezwaarverzekeringsarts in hun oordeel dat de beperkingen adequaat en zorgvuldig waren vastgesteld. Er waren geen objectief-medische aanwijzingen voor ernstiger beperkingen op de relevante datum.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit in rechte stand kan blijven en dat er geen grond is voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.