ECLI:NL:CRVB:2005:AT3965
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om een WAO-uitkering toe te kennen. De weigering was gebaseerd op het feit dat zij na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op de datum in geschil minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep heeft dit oordeel bevestigd. De Raad overwoog dat er geen nieuwe gezichtspunten waren aangevoerd die aanleiding gaven tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank. Tevens bleek uit de stukken dat appellante de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies kon verrichten.
De Raad merkte op dat de rechtbank ten onrechte de functies van monteur en hulpvakarbeider had laten vervallen, maar dit deed niet af aan het oordeel. De beschikbare medische gegevens waren voldoende om tot een verantwoord oordeel te komen, en de niet-medisch onderbouwde mening van appellante werd niet zwaarwegend geacht. Het bestreden besluit kon daarom in stand blijven.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.