ECLI:NL:CRVB:2005:AT3858
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dagloon bij WAO-uitkering op grond van juiste toepassing Dagloonregelen
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen een uitspraak van de rechtbank Assen over de vaststelling van het dagloon van gedaagde in het kader van haar WAO-uitkering.
Gedaagde was werkzaam bij twee werkgevers, waaronder Argo, en maakte bezwaar tegen de vaststelling van haar dagloon door het Uwv. Het Uwv had het dagloon gebaseerd op artikel 7 van Pro de Dagloonregelen WAO, omdat zij meende dat gedaagde voorafgaand aan haar arbeidsongeschiktheid gedeeltelijk ontslag had genomen en een vast aantal uren per week werkte. Gedaagde stelde dat zij feitelijk meer uren had gewerkt en dat sprake was van een flexibel arbeidscontract.
De Raad oordeelde, net als de rechtbank, dat uit de stukken en de brief van gedaagde aan haar werkgever niet kan worden afgeleid dat zij gedeeltelijk ontslag had genomen. Ook bevestigde de Raad dat het werkpatroon niet wezenlijk was gewijzigd en dat artikel 3 van Pro de Dagloonregelen van toepassing is voor de vaststelling van het dagloon. Het hoger beroep van het Uwv werd verworpen en het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
De uitspraak bevestigt het belang van een juiste toepassing van de Dagloonregelen bij vaststelling van WAO-uitkeringen, waarbij de feitelijke arbeidsomvang en het karakter van het arbeidscontract doorslaggevend zijn.
Uitkomst: Het dagloon is onterecht op grond van artikel 7 vastgesteld; toepassing van artikel 3 is juist en het hoger beroep van het Uwv wordt afgewezen.