Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AT3858

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/3999 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 DRArt. 7 DRArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling dagloon bij WAO-uitkering op grond van juiste toepassing Dagloonregelen

De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen een uitspraak van de rechtbank Assen over de vaststelling van het dagloon van gedaagde in het kader van haar WAO-uitkering.

Gedaagde was werkzaam bij twee werkgevers, waaronder Argo, en maakte bezwaar tegen de vaststelling van haar dagloon door het Uwv. Het Uwv had het dagloon gebaseerd op artikel 7 van Pro de Dagloonregelen WAO, omdat zij meende dat gedaagde voorafgaand aan haar arbeidsongeschiktheid gedeeltelijk ontslag had genomen en een vast aantal uren per week werkte. Gedaagde stelde dat zij feitelijk meer uren had gewerkt en dat sprake was van een flexibel arbeidscontract.

De Raad oordeelde, net als de rechtbank, dat uit de stukken en de brief van gedaagde aan haar werkgever niet kan worden afgeleid dat zij gedeeltelijk ontslag had genomen. Ook bevestigde de Raad dat het werkpatroon niet wezenlijk was gewijzigd en dat artikel 3 van Pro de Dagloonregelen van toepassing is voor de vaststelling van het dagloon. Het hoger beroep van het Uwv werd verworpen en het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.

De uitspraak bevestigt het belang van een juiste toepassing van de Dagloonregelen bij vaststelling van WAO-uitkeringen, waarbij de feitelijke arbeidsomvang en het karakter van het arbeidscontract doorslaggevend zijn.

Uitkomst: Het dagloon is onterecht op grond van artikel 7 vastgesteld; toepassing van artikel 3 is juist en het hoger beroep van het Uwv wordt afgewezen.

Uitspraak

03/3999 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), appellant
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde,
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 30 juni 2003 onder kenmerk 02/577 door de rechtbank Assen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 februari 2005, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. L.G.M. van der Meer, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door haar raadsman mr. J. Brouwer, advocaat te Assen.
II. MOTIVERING
Gedaagde was werkzaam als schoonmaakster in dienst van twee verschillende werkgevers, te weten LSB en Argo. Op
28 februari 2000 is zij uitgevallen, waarna appellant haar bij besluit van 10 september 2001 met ingang van 26 februari 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en gebaseerd op een dagloon van f. 156,52. Het door gedaagde hiertegen gemaakte bezwaar heeft appellant bij zijn besluit van 28 mei 2002 ongegrond verklaard.
In beroep tegen dit besluit heeft gedaagde gemotiveerd gesteld dat appellant het dagloon te laag heeft vastgesteld omdat hij is uitgegaan van een veel te klein aantal door haar in 1999 bij Argo gewerkte uren.
De rechtbank heeft, onder bepalingen omtrent proceskostenvergoeding en griffierecht, het beroep van gedaagde tegen het besluit van 28 mei 2002 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat zij geen reden ziet te twijfelen aan de stelling van gedaagde dat zij met Argo een minimum-urencontract had gesloten voor ten minste 28,55 uren per week en dat zij daarnaast kon worden opgeroepen voor meer uren per week , indien het werkaanbod daartoe aanleiding gaf. De stelling van appellant dat gedaagde gedurende een vast aantal uren per week voor Argo werkzaamheden verrichtte, maar dat dit aantal in 1999 hoger dan 28,55 uur per week was dan bij het intreden van haar arbeidsongeschiktheid, als gevolg van gedeeltelijke ontslagname door gedaagde op
31 januari 2000, vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in de stukken. De rechtbank houdt het ervoor dat sprake was van een flexibel arbeidscontract, en dat appellant voor de vaststelling van het dagloon niet van artikel 7, meer van
artikel 3 dan Pro wel artikel 9 van Pro de Dagloonregelen WAO (hierna: DR) dient uit te gaan.
In hoger beroep heeft appellant de juistheid van die uitspraak bestreden. Appellant betwist niet dat gedaagde in 1999 feitelijk ruim 2648 uren heeft gewerkt, maar heeft aangevoerd dat gedaagde voorafgaand aan haar eerste ziektedag zelf gedeeltelijk ontslag heeft genomen waarna zij, blijkens opgave van Argo, werkzaam is geweest op een vast aantal uren per week, namelijk 28,55. Daarom blijft appellant van mening dat hij terecht toepassing heeft gegeven aan de zogeheten vastloon- bepaling van artikel 7 van Pro de DR. Appellant heeft in dit verband een brief van 31 januari 2000 van gedaagde aan haar werkgever overgelegd alsmede de reactie van 2 februari 2000 van de werkgever hierop.
Met de rechtbank en op dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat gedaagde het dagloon ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 7 van Pro de DR. Daaraan voegt hij het volgende toe.
Uit het briefje van 31 januari 2000 van gedaagde aan Argo kan naar het oordeel van de Raad niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat zij gedeeltelijk ontslag heeft genomen en gedurende een geringer aantal uren dan voorheen werkzaam wilde zijn. Uit dit briefje blijkt niet meer dan dat gedaagde zich (in verband met de wijze waarop haar bij de Vrije School weggevallen uren werden opgevuld) overbelast voelde en dat zij haar werk, en in het bijzonder de werktijden en locaties van haar werk, anders georganiseerd wilde zien. Ter zitting heeft gedaagde dit bevestigd en nader toegelicht. De omstandigheid dat gedaagde vervolgens in februari 2000 (naast haar parttime baan bij LSB) nog ruim meer dan de gestelde 28,55 uren per maand voor Argo heeft gewerkt bevestigt de veronderstelling dat het werkpatroon van gedaagde na 31 januari 2000 niet wezenlijk is gewijzigd. Zoals de rechtbank met juistheid heeft geconcludeerd moet onder deze omstandigheden het dagloon worden vastgesteld met toepassing van artikel 3 van Pro de DR.
Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, onder meer met betrekking tot het uren aantal op basis waarvan Argo het loon van gedaagde heeft doorbetaald, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.
Het vorenstaande brengt met zich mee dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 414,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) W.J.M. Fleskens.