ECLI:NL:CRVB:2005:AT3033

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-380 WAO-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 18 BeroepswetArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verzoek voorlopige voorziening inzake WAO-uitkering

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Utrecht betreffende de voortzetting van haar WAO-uitkering. Vervolgens verzocht zij om een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 Awb Pro in verband met een inkomensoverzicht waarin een terugvordering van te veel ontvangen uitkering wordt vermeld.

De voorzieningenrechter oordeelt dat niet is voldaan aan de connexiteitseis van artikel 8:81 Awb Pro, omdat het verzoek om voorlopige voorziening ziet op terugvordering van uitkering, terwijl het hoger beroep betrekking heeft op de vaststelling van het recht op uitkering. Hierdoor heeft het verzoek geen betrekking op het bestreden besluit.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard en wordt zonder zitting uitspraak gedaan. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan connexiteit met het bestreden besluit.

Uitspraak

05/380 WAO-VV
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21van de Beroepswet in het geding tussen:
[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. INLEIDING
De heer F. Bruinsma heeft als gemachtigde van verzoekster bij brief van 22 juni 2004 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 mei 2004, nummer SBR 03/419.
Bij brief van 20 januari 2005 heeft de heer F. Bruinsma namens verzoekster verzocht een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
II. MOTIVERING
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en Pro artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van Pro de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Namens verzoekster is bij brief van 22 juni 2004 hoger beroep ingesteld tegen voornoemde uitspraak. Voorwerp van dat geding was de beslissing op bezwaar van 29 januari 2004, houdende (alsnog) gegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 14 februari 2002, in die zin dat de WAO-uitkering met ingang van 15 april 2002 ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Namens verzoekster wordt een voorlopige voorziening gevraagd ter zake van een inkomensoverzicht van 24 maart 2004 waarin is vermeld dat zij over de maanden april 2002 tot en met december 2003 € 6.463,04 te veel heeft ontvangen.
Vastgesteld moet worden dat niet voldaan wordt aan de zogeheten connexiteitseis die is neergelegd in artikel 8:81 van Pro de Awb. Hoewel voor de bevoegdheid van de voorzieningenrechter van de Raad tot het treffen van een voorlopige voorziening voldoende is dat er op enig moment hoger beroep is ingesteld, dient deze voorwaarde aldus te worden verstaan dat aan de connexiteitseis ook in materiële zin moet worden voldaan, dat wil zeggen dat de gevraagde voorlopige voorziening betrekking moet hebben op het connexe -bestreden- besluit.
Aangezien het hoger beroep ziet op de vaststelling van een het recht op uitkering en het verzoek om voorlopige voorziening ziet op terugvordering van reeds verstrekte uitkering heeft het verzoek geen betrekking op het bestreden besluit.
Het vorenstaande leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen kennelijk niet-ontvankelijk is, zodat de voorzieningenrechter onder toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, zonder zitting uitspraak zal doen.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen in tegenwoordigheid van E. Blijleven- de Vries als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) E. Blijleven- de Vries.