ECLI:NL:CRVB:2005:AT2994
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- M.I. ’t Hooft
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum bijstandsuitkering bij terugwerkende verblijfsvergunning en bijzondere omstandigheden
Appellant, van Kroatische nationaliteit, verbleef sinds 1994 in Nederland en vroeg meerdere keren een bijstandsuitkering aan. Na een afwijzing op grond van een voorliggende voorziening (ROA) werd hem uiteindelijk bijstand toegekend met ingang van 15 november 1996. Appellant stelde dat de ingangsdatum op 13 april 1996 moest worden vastgesteld, omdat hij toen een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ontving.
De rechtbank verklaarde zich onbevoegd voor het primaire besluit en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk voor zover het ging om bijstand vanaf 1 januari 1997. De Centrale Raad vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat de brief van 12 mei 1999 geen nieuwe aanvraag was, maar een aanvulling op het bezwaar. De Raad stelde vast dat bijzondere omstandigheden vereist zijn om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen.
De Raad concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij tussen 13 april 1996 en 15 november 1996 in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, mede omdat hij in die periode leningen had ontvangen en op het aanvraagformulier aangaf geen schulden te hebben. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De Raad veroordeelde de gemeente Amsterdam tot betaling van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De ingangsdatum van de bijstandsuitkering blijft gehandhaafd op 15 november 1996; bijstand met terugwerkende kracht vanaf 13 april 1996 wordt afgewezen.