ECLI:NL:CRVB:2005:AT2925
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging premiedifferentiatie WAO-premie ondanks bezwaar tegen reïntegratie-inspanningen
De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tot vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie voor het jaar 2002. De premie is gebaseerd op de uitkering die in 2000 aan een ex-werknemer van appellante is toegekend. De rechtbank Rotterdam had het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het Uwv onvoldoende inzicht had gegeven in de reïntegratie-inspanningen en de tijdigheid van medische keuringen die relevant zouden zijn voor de vaststelling van de premie. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat deze grieven niet ontvankelijk zijn op grond van artikel 87e van de WAO, omdat bezwaren tegen de hoogte of toekenning van de WAO-uitkering zelf niet in de premiedifferentiatieprocedure kunnen worden ingebracht.
De Raad stelde verder vast dat er binnen een jaar na de uitkeringsdatum een herbeoordeling heeft plaatsgevonden, zodat de klacht over tijdigheid van herkeuring feitelijk niet gegrond is. Ook oordeelde de Raad dat reïntegratie-inspanningen die verder gaan dan de vastgestelde verdiencapaciteit niet van het Uwv kunnen worden verlangd in het kader van de premiedifferentiatie. De aangevallen uitspraak werd dan ook bevestigd en het hoger beroep afgewezen.
Ten slotte overwoog de Raad dat er geen gronden zijn om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, waarmee het beroep definitief werd afgesloten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie en wijst het hoger beroep af.