ECLI:NL:CRVB:2005:AT2589
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en belanghebbendheid bij bezwaar en beroep
Deze zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) inzake de herziening van de WAO-uitkering van een werkneemster. De kern van het geschil is of appellante belanghebbende is bij de beoordeling van het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering en de vraag of het besluit tot herziening tijdig en zorgvuldig is genomen.
De Raad oordeelt dat appellante ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in haar beroep tegen het besluit van 14 september 2000 en vernietigt dat deel van de uitspraak. Het beroep wordt alsnog ongegrond verklaard. De Raad stelt vast dat de toepassing van de uitlooptermijn van artikel 36b WAO dwingend is en dat het tijdsverloop tussen medisch en arbeidskundig onderzoek niet leidt tot schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Tevens wordt geoordeeld dat het besluit tot voortzetting van de WAO-uitkering per 24 oktober 2000 op medische gronden terecht is genomen.
Appellante heeft geen medisch onderbouwde bezwaren tegen het besluit op bezwaar van 17 april 2001 ingebracht. De Raad bevestigt de overige delen van de eerdere uitspraak en bepaalt dat het Uwv aan appellante de betaalde griffierechten dient terug te betalen en veroordeelt het Uwv tot betaling van proceskosten aan de werkneemster als mede-deelnemende partij.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard met terugbetaling van griffierechten en toewijzing van proceskosten.