ECLI:NL:CRVB:2005:AT1835
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schutttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens verlies belang bij WAO-schatting
Het geschil betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen een uitspraak over de korting van WAO-uitkeringen van gedaagde over meerdere tijdvakken tussen 1990 en 1996. De rechtbank Maastricht had het bestreden besluit van het Uwv vernietigd wegens onjuiste toepassing van de wettelijke bepalingen en had het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Tijdens de zitting van de Centrale Raad van Beroep op 18 januari 2005 erkende het Uwv dat sprake was van een onjuiste wetstoepassing en gaf aan wanneer een definitieve schatting volgens hen had moeten plaatsvinden. Het Uwv verzocht de Raad om zelf te voorzien in de zaak op grond van artikel 8:72, vierde lid, Awb. De Raad oordeelde echter dat het procesbelang van het Uwv bij het hoger beroep was komen te vervallen, omdat de rechtbank een inhoudelijke beoordeling en een nieuw besluit had opgedragen.
De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en veroordeelde het Uwv tot betaling van de proceskosten van gedaagde ad € 322,- en het griffierecht van € 414,-. Hiermee werd bevestigd dat het Uwv geen belang meer had bij voortzetting van het hoger beroep en dat de procedure moest worden voortgezet via een nieuw besluit op bezwaar.
Uitkomst: Het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verlies van procesbelang.