ECLI:NL:CRVB:2005:AT1600
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging WAO-besluit en afwijzing immateriële schadevergoeding
Appellant, werknemer bij het UWV, werd in 2000 voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt verklaard. Tegen dit besluit en het daaropvolgende bezwaar werd beroep ingesteld en vernietiging uitgesproken door de rechtbank. Later werd het besluit ingetrokken en de uitkering ontzegd, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant vorderde in hoger beroep een immateriële schadevergoeding wegens onterechte arbeidsongeschiktheidsverklaring vanaf 10 september 1998. De Raad stelt vast dat de besluiten in het geding betrekking hebben op 7 augustus 2000 en niet op 1998, zodat hierover geen uitspraak kan worden gedaan.
Verder oordeelt de Raad dat voor vergoeding van immateriële schade vereist is dat appellant in zijn eer of goede naam is aangetast of geestelijk letsel heeft geleden door het vernietigde besluit. Dit is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ook is het handelen van de werkgever om appellant niet toe te laten tot werk niet toerekenbaar aan het bestuursorgaan. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
De Centrale Raad bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af. Er is geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak is in het openbaar gegeven op 11 maart 2005.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt de vernietiging van het WAO-besluit en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.