ECLI:NL:CRVB:2005:AS8485
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsovereenkomst en inkomsten bij naaiatelier voor WAO- en AAW-toepassing
Appellante stelde in hoger beroep dat zij voor de eerste dag van volledige arbeidsongeschiktheid, 29 november 1994, als werknemer tegen loon werkzaam was bij een naaiatelier. De rechtbank Arnhem had dit betwist en de vraag ontkennend beantwoord, omdat onvoldoende bewijs was geleverd van daadwerkelijke werkzaamheden en inkomsten uit die periode.
De Raad bevestigt dit oordeel. Er was alleen een papieren arbeidsovereenkomst, maar geen bewijs van feitelijke werkzaamheden, loonstrookjes, of premieafdrachten. Ook meldde appellante in eerdere aanvragen geen werk bij het naaiatelier, en de belastingdienst had geen gegevens die het bestaan van een dienstverband ondersteunden.
Medische rapporten uit die periode vermeldden geen werkactiviteiten, en appellante ontkende eerder in dienstbetrekking te zijn geweest. Haar beroep op het voordeel van de twijfel acht de Raad onvoldoende bewijs. De Raad wijst ook het verzoek om schadevergoeding af en bevestigt het besluit van het UWV.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in 1994 werkzaam was tegen loon bij het naaiatelier en wijst het verzoek om schadevergoeding af.