Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AS8286

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/1291 ALGEM + 04/5726 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • M.C.M. van Laar
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing rechtbank omtrent schadevergoeding zonder verzoek in strijd met artikel 8:73 Awb

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Haarlem die een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) vernietigde en tevens een beslissing gaf over een verzoek tot schadevergoeding. De rechtbank wees het verzoek tot schadevergoeding af, hoewel appellant hierom niet expliciet had verzocht.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank in strijd met artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld door een beslissing te geven over een schadevergoeding zonder dat appellant dit had gevraagd. Appellant had aangegeven het schadevergoedingsaspect buiten de bestuursrechtelijke procedure te willen houden en dit in een aparte civiele procedure te willen aanvechten.

De Raad vernietigt daarom het deel van de uitspraak dat betrekking heeft op de schadevergoeding en veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed. De uitspraak benadrukt het belang van het volgen van de juiste procedurele regels bij bestuursrechtelijke procedures.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het deel van de uitspraak over schadevergoeding en veroordeelt het Uwv in de proceskosten.

Uitspraak

03/1291 ALGEM
04/5726 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 14 januari 2003 onder kenmerk 01/1202 door de rechtbank Haarlem gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 januari 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouwe mr. N.A. Wilms, advocaat te Haarlem en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit op bezwaar van 13 juli 2001 heeft gedaagde zijn besluit van 18 oktober 2000 gehandhaafd, inhoudende dat appellant ter zake van zijn werkzaamheden voor Initiative Media B.V. gedurende de periode van 1 november 1998 tot 31 maart 1999 verplicht was verzekerd voor de sociale werknemersverzekerings- wetten. In zijn herziene besluit op bezwaar van 24 september 2001 heeft gedaagde besloten zijn eerdere besluit op bezwaar van 13 juli 2001 niet te handhaven, het bezwaar gegrond verklaard en het (primaire) besluit van 18 oktober 2000 herroepen.
De rechtbank heeft, met een bepaling omtrent het griffierecht, het beroep van appellant tegen het besluit van 24 september 2001 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde ten onrechte geen expliciet standpunt had ingenomen omtrent de aard van de arbeidsverhouding tussen appellant en Initiative Media B.V. en gedaagde opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Voorts heeft zij een beslissing gegeven over een verzoek tot schadevergoeding, inhoudende dat dit verzoek wordt afgewezen.
Het hoger beroep richt zich nog uitsluitend tegen de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.
In dit verband overweegt de Raad als volgt.
De Raad stelt vast dat appellant in zijn beroepschrift niet om veroordeling van gedaagde tot vergoeding van schade met toepassing van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verzocht.
Hetgeen appellant ter zitting naar voren heeft gebracht betreffende een vóór het primaire besluit van 18 oktober 2000 aan gedaagde gericht verzoek om schadevergoeding is door de rechtbank naar het oordeel van de Raad ten onrechte opgevat als een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van Pro de Awb. Appellant heeft immers tegelijkertijd gesteld dat hij het schadevergoedingsaspect buiten de beroepsprocedure wilde houden omdat hij zijn vordering te zijner tijd in een afzonderlijke procedure bij de burgerlijke rechter wilde aanbrengen.
Door een beslissing omtrent schadevergoeding te geven zonder dat appellant hierom heeft verzocht heeft de rechtbank in strijd met artikel 8:73 van Pro de Awb gehandeld.
De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 6 augustus 1997, onder meer gepubliceerd in AB 1997,392. De aangevallen uitspraak kan op dit onderdeel niet in stand blijven.
De Raad ziet aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant, in hoger beroep begroot op € 322,-- wegens verleende rechtsbijstand.
Beslist dient te worden als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarin een beslissing is gegeven omtrent schadevergoeding;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 87,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2005.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
RB1502