ECLI:NL:CRVB:2005:AS7463
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- M.C.M. van Laar
- C.M. van Wechem
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling WAO-dagloon na toegenomen arbeidsongeschiktheid bij WSW-werknemer
Appellant, sinds 1975 arbeidsongeschikt, ontving een WAO-uitkering die was aangepast op basis van zijn arbeidsongeschiktheid en dienstverband binnen de Wet sociale werkvoorziening (WSW). Na toename van zijn arbeidsongeschiktheid tot volledig ongeschikt per 3 oktober 2000, stelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) het dagloon vast op € 87,97, hoger dan het voorheen gehanteerde dagloon.
Appellant betwistte deze vaststelling en stelde beroep in tegen het besluit van 7 februari 2002. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de vaststelling van het dagloon in overeenstemming is met de WAO en de bijzondere regeling voor WSW-werknemers, zoals neergelegd in de Staatssecretarisbeschikking van 8 april 1982 en de herziening van 14 april 1998. Hoewel appellant een aanzienlijk inkomensverlies leed, leidde dit niet tot een andere beoordeling van de dagloonvaststelling.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, en er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd op 17 februari 2005 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De vaststelling van het WAO-dagloon per 2 oktober 2000 wordt bevestigd en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.