ECLI:NL:CRVB:2005:AS6895
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake duurzaam gescheiden leven en AOW-herziening
Verzoeker, geboren in 1938, vroeg in oktober 2002 een ouderdomspensioen aan op grond van de AOW, waarbij hij aangaf ongehuwd en alleenwonend te zijn. Later meldde hij dat hij in december 1992 in Indonesië was gehuwd, maar dat hij en zijn echtgenote duurzaam gescheiden leefden. Gedaagde herzag het pensioen met ingang van 1 april 2003 naar het gehuwdenpensioen. Verzoeker stelde dat hij en zijn vrouw ieder hun eigen leven leidden en dat sprake was van duurzaam gescheiden leven.
De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker en zijn echtgenote na hun huwelijk kort samenwoonden in Indonesië, maar dat deze samenleving in mei 1993 werd beëindigd. Verzoeker verbleef daarna in Nederland, terwijl zijn echtgenote slechts kort in Nederland verbleef en niet kon aarden. Verzoeker bezocht haar jaarlijks enkele maanden in Indonesië en zij hadden wekelijks telefonisch contact. De intentie om samen te wonen in Indonesië was aanwezig maar bleek niet reëel.
Op grond van deze feiten oordeelde de voorzieningenrechter dat niet kon worden aangenomen dat verzoeker en zijn echtgenote duurzaam gescheiden leefden in de zin van de AOW. Daarom was de herziening van het pensioen naar gehuwdenniveau terecht en werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De Sociale Verzekeringsbank werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierechtvergoeding.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoeker niet als duurzaam gescheiden levend wordt aangemerkt.