ECLI:NL:CRVB:2005:AS6699
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging arbeidsgeschiktheid na ziekte en weigering WAO-uitkering
Appellant, voormalig assistent medewerker begraafplaats, meldde zich sinds 1995 meerdere keren ziek. Na wachttijden werd hem geen WAO-uitkering toegekend omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd vastgesteld. Op 15 maart 2002 oordeelde een verzekeringsarts dat appellant niet langer ongeschikt was voor arbeid en werd het recht op ziekengeld beëindigd.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat hij ten onrechte arbeidsgeschikt werd verklaard, mede omdat eerdere artsen hem nog arbeidsongeschikt achtten. Na een onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts werd het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn grieven, maar de Raad overwoog dat onder arbeid de laatst verrichte arbeid wordt verstaan, tenzij de verzekerde na langdurige ziekte geschikt wordt geacht voor andere functies. Appellant werd geschikt geacht voor functies als naaister meubelkleding, wikkelaar en samensteller elektronische producten. De Raad vond geen reden om de medische bevindingen van de verzekeringsartsen te verwerpen en oordeelde dat appellant terecht arbeidsgeschikt werd verklaard vanaf 15 maart 2002.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het beroep af. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Appellant is terecht arbeidsgeschikt verklaard vanaf 15 maart 2002 en heeft geen recht op ziekengeld.