ECLI:NL:CRVB:2005:AS6263
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-uitkeringsbesluit inzake inkomenscorrectie bij zelfstandige
Appellant, een voormalige elektromonteur die sinds 1978 een WAO-uitkering ontvangt en sinds 1994 als zelfstandige in een vennootschap onder firma werkt, werd geconfronteerd met een besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering over 2000 te herberekenen op basis van een lagere mate van arbeidsongeschiktheid (65-80% in plaats van 80-100%). Dit besluit werd genomen vanwege inkomsten uit arbeid die appellant ontving, waaronder een diplomavergoeding en een omzetpost van 25.000 gulden die in 2000 werd geboekt maar betrekking had op werk in 2001.
Appellant voerde aan dat de diplomavergoeding geen inkomen uit arbeid was en dat de omzetpost ten onrechte aan 2000 werd toegerekend. De bezwaararbeidsdeskundige stelde echter dat de diplomavergoeding onderdeel was van de winst uit arbeid en dat de omzetpost terecht in 2000 was geboekt, omdat dit de fiscale keuze van appellant was. De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de diplomavergoeding gezien moet worden als inkomen uit arbeid, mede omdat deze gebaseerd is op de vakkennis en ervaring van appellant die essentieel zijn voor zijn bedrijf.
De Centrale Raad van Beroep heeft het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van de fiscale winsttoerekening en de beoordeling dat de diplomavergoeding en omzetpost als inkomen uit arbeid moeten worden beschouwd. Ook werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt dat voor de WAO-uitkering de fiscale winstverdeling en de aard van de inkomsten bepalend zijn voor de mate van arbeidsongeschiktheid en de hoogte van de uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit om de WAO-uitkering te berekenen op basis van een lagere mate van arbeidsongeschiktheid vanwege inkomsten uit arbeid.