ECLI:NL:CRVB:2005:AS6249

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6188 ALGEM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 8:75 AwbAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens termijnoverschrijding in bestuursrechtelijke zaak

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft de Centrale Raad van Beroep het verzet van opposante tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar hoger beroep behandeld. Het hoger beroep was eerder niet-ontvankelijk verklaard omdat de beroepsgronden niet binnen de gestelde termijn van twee weken waren ingediend. Opposante diende de beroepsgronden pas na deze termijn in, zonder geldige verontschuldiging.

De Raad overwoog dat het aanvullend beroepschrift niet aangetekend was verzonden en het poststempel onleesbaar was, waardoor niet kon worden vastgesteld dat het tijdig was ingediend. Dit risico lag bij opposante. Tevens verwierp de Raad het standpunt dat het hoger beroep met betrekking tot de boetenota’s geen motivering behoeft, omdat het aanvoeren van beroepsgronden niet betekent dat opposante aan haar eigen veroordeling meewerkt.

De Centrale Raad van Beroep zag geen reden om af te wijken van de eerdere uitspraak en verklaarde het verzet ongegrond. Er waren geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak werd gedaan door voorzitter G. van der Wiel op 20 januari 2005, waarbij het verzet werd verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep gehandhaafd bleef.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep gehandhaafd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/6188 ALGEM
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposante], gevestigd te [vestigingsplaats], opposante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van de Raad van 25 maart 2004 is het namens opposante ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2003
niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft mr. H.J.S.M. Nuijten, werkzaam bij Mazars Paardekooper Hoffman te Rotterdam, een verzetschrift ingediend.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 9 december 2004, waar opposante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Nuijten, en waar geopposeerde, zoals tevoren bericht, zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De uitspraak van de Raad van 25 maart 2004 steunt kort samengevat hierop, dat de beroepsgronden niet binnen de door de Raad bij aangetekend schrijven van 22 januari 2004 gestelde termijn van twee weken zijn binnengekomen en dat niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging zouden kunnen vormen voor dit verzuim.
In dit geding is de vraag of het hoger beroep van opposante terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven.
In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen merkt de Raad op dat de gestelde termijn inhield dat de beroepsgronden uiterlijk op donderdag 5 februari 2004 hadden moeten worden ingediend. De gronden zijn eerst ontvangen op maandag 9 februari 2004. Niet is komen vast te staan dat het - niet aangetekend verzonden - aanvullend beroepschrift voor het einde van de termijn ter post is bezorgd. Het poststempel is onleesbaar. Dit komt voor risico van opposante. Het namens opposante ingenomen standpunt dat het hoger beroep met betrekking tot de boetenota’s geen motivering behoeft deelt de Raad niet. Niet valt in te zien waarom het aanvoeren van gronden tegen de uitspraak waarvan hoger beroep, in zou moeten houden dat oppasante aan haar eigen “veroordeling” meewerkt.
Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht ongegrond te verklaren.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2005.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) R.E. Lysen.