ECLI:NL:CRVB:2005:AS4918

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/6180 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
  • D.J. van der Vos
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8, lid 14 WAZArt. 8, lid 12 WAZArt. 8, lid 16 WAZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit WAZ-uitkering wegens onjuiste grondslagberekening en schending reformatio in peius

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) waarin haar WAZ-uitkering werd vastgesteld op basis van een arbeidsongeschiktheid van 65-80% en een grondslag van f 22,05 per dag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad oordeelde dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil was getreden door een lagere mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen dan in het bestreden besluit was opgenomen, wat in strijd is met artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en het verbod op reformatio in peius. Daarnaast bleek dat de grondslagberekening onjuist was uitgevoerd, waarbij verkeerde gegevens en een onjuiste berekening van het WAO-dagloon waren gehanteerd.

Gezien deze fouten vernietigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van de proceskosten van appellante in zowel beroep als hoger beroep, alsmede tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Hiermee is de procedure in het voordeel van appellante beslecht.

Uitkomst: Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

02/6180 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 5 november 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van
2 april 2001 waarbij hij aan haar een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) heeft toegekend per 31 januari 2000, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80% en gebaseerd op een grondslag van f 22,05 per dag.
Bij uitspraak van 30 oktober 2002, kenmerk AWB 01/1699 WAZ, heeft de rechtbank Maastricht het beroep van appellante tegen het besluit van 5 november 2001 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante op bij beroepschrift aangevoerde en bij latere brieven aangevulde gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage) ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 december 2004. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.A. Severijn, advocaat te Woerden. Voor gedaagde is verschenen mr. B. Drossaert, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de grieven van appellante zijn toegespitst twee punten.
Ten eerste is appellante van mening dat de rechtbank, door in de aangevallen uitspraak te oordelen dat er geen verlies aan verdienvermogen is en dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAZ lager is dan 25%, buiten de grenzen van het geschil is getreden en dusdoende heeft gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (inhoudende dat de rechtbank uitspraak doet op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting), immers, bij het bestreden besluit is de bij het primaire besluit op 65-80% vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid gehandhaafd en in beroep bij de rechtbank heeft appellante die mate niet tot inzet van het geschil gemaakt.
De Raad deelt die mening van appellante, daar uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van de rechtbank niet kan blijken van nieuw gebleken feiten of omstandigheden op grond waarvan gedaagde bevoegd en verplicht zou zijn het bestreden besluit ten nadele van appellante te wijzigen en in welk geval het verbod op de zogeheten reformatio in peius er volgens de Memorie van Toelichting bij artikel 8:69 van Pro de Awb (22 495, nr. 3, pag. 141 en 142) niet aan in de weg staat dat de rechter zelf in de zaak voorziet ondanks dat die voorziening voor de appellant per saldo tot een verslechtering leidt.
Reeds om deze reden kunnen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand blijven.
Ten tweede is appellante van mening dat gedaagde ten onrechte bij het primaire besluit de grondslag voor de berekening van de WAZ-uitkering heeft vastgesteld op f 22,05 per dag en bij het bestreden besluit heeft gehandhaafd alsook dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen niet meer te kunnen toekomen aan bespreking van de grieven van appellante (waaronder de bezwaren van appellante tegen de hoogte van de grondslag).
Met gedaagde is appellante van mening dat de grondslag moet worden vastgesteld met toepassing van artikel 8, lid
14 gelezen in samenhang met de leden 12 en 16, van de WAZ, maar anders dan gedaagde is appellante van mening dat ingevolge die bepalingen dient te worden uitgegaan van het dagloon voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en niet, zoals gedaagde heeft gedaan, van het belastbaar loon (in 1998). Dusdoende komt appellante tot een lager loon dat, afgezet tegen hetzelfde wettelijk minimumloon als vanwege gedaagde is gehanteerd, leidt tot een hogere WAZ-grondslag van f 26,79 per dag en, gegeven een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%, tot een aanmerkelijk hoger bedrag aan WAZ-uitkering per 31 januari 2000 dan in het primaire besluit is vermeld.
Gedaagde heeft in zijn verweerschrift vastgehouden aan de tot de gedingstukken behorende grondslagberekening van claimbehandelaar N.J.P. Wilmes van 30 maart 2001, welke is gebaseerd op de door appellante aan de fiscus verstrekte gegevens over haar inkomen uit winst uit onderneming over 1998.
Te dien aanzien overweegt de Raad het volgende.
Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen dat ter zitting is gebleken dat aan appellante in de loop van 2004 een WAZ-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer is toegekend, kan niet worden staande gehouden dat appellante geen belang meer heeft bij een oordeel over de wijze van berekening van de grondslag.
Ter zitting is namens gedaagde voorts desgevraagd erkend dat de grondslagberekening door de claimbehandelaar niet heeft plaatsgevonden in overeenstemming met het bepaalde in met name artikel 8, lid 14, van de WAZ; nader is namelijk gebleken dat van verkeerde gegevens is uitgegaan en voorts dat de berekening van het WAO-dagloon ook onjuist is.
Ook om deze reden kunnen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand blijven.
Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellante slaagt en dat de aangevallen uitspraak evenals het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 5 november 2001 gegrond en vernietigt dat besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.288,--, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te betalen aan appellante;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante in beide instanties betaalde griffierecht van in totaal € 109,23 (€ 27,23 + € 82,--) aan haar dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. van Huussen.