ECLI:NL:CRVB:2005:AS4632
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- C.M. van Wechem
- Rechtspraak.nl
Bevestiging privaatrechtelijke dienstbetrekking ondanks zelfstandigheidsargumenten bij polijstwerkzaamheden
Appellante, een metaalverwerkingsbedrijf, maakte gebruik van betrokkene voor polijstwerkzaamheden aan roestvrijstalen constructies. Uit een looncontrole bleek dat betalingen aan betrokkene niet in de loonadministratie waren verantwoord, waarna gedaagde correctienota's, boetenota's en een boete oplegde op grond van het standpunt dat betrokkene in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad stelt vast dat betrokkene urenadministratie moest bijhouden, gebruik maakte van appellantes apparatuur en dat zijn werkzaamheden een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering vormden. Hoewel appellante aanvoerde dat betrokkene zelfstandig en zonder toezicht werkte, oordeelt de Raad dat dit niet uitsluit dat er sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
De Raad wijst erop dat de werkzaamheden aan het eind van het productieproces plaatsvinden en dat aanwijzingen ondenkbaar zijn. Ook de boetenota’s en registratie van de boete worden door de Raad als terecht beoordeeld. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.