ECLI:NL:CRVB:2005:AS4152
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Ch.J.G. Olde Kalter
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Arbeidsongeschiktheid en geschiktheid voor schoonmaakwerk bij twee werkgevers
Appellant was werkzaam als schoonmaker bij twee werkgevers en meldde zich ziek met schouderklachten. De eerste werkgever beëindigde de arbeidsovereenkomst, waarna het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) het recht op Ziektewetuitkering introk omdat appellant volgens medische rapporten geschikt was voor zijn arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat dit onterecht was omdat appellant bezwaar had gemaakt tegen een maatregel.
De Raad beoordeelde vervolgens of appellant op de datum van hersteldverklaring geschikt was voor zijn schoonmaakwerk bij de eerste werkgever, waarbij het schoonmaakwerk bij de tweede werkgever buiten beschouwing bleef omdat appellant dit niet verrichtte en niet op korte termijn hoefde te hervatten. Diverse medische specialisten konden geen objectieve oorzaak voor de schouderklachten vaststellen en concludeerden dat appellant geschikt was voor zijn arbeid.
Hoewel een verzekeringsarts in het kader van de WAO wel beperkingen aannam, was er geen objectief medisch substraat. Een arbeidsdeskundige achtte appellant ongeschikt voor het schoonmaakwerk bij beide werkgevers, maar wel geschikt voor lichtere gangbare arbeid. De Raad verklaarde het beroep ongegrond, vernietigde de eerdere uitspraak en veroordeelde het UWV in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering blijft in stand.