AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Eiser, geboren in 1934 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op basis van ervaringen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode. Hij stelde dat hij gezondheidsklachten had door arrestaties van familieleden, vermissing van zijn broer, vluchtelingenervaringen met geweld en ongeregeldheden tijdens de couppoging van Westerling.
Verweerster wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat eiser persoonlijk getroffen was door oorlogsgeweld zoals bedoeld in artikel 2 vanPro de Wet. De Raad oordeelde dat algemene oorlogsomstandigheden niet voldoende zijn voor erkenning en dat de door eiser genoemde gebeurtenissen onvoldoende bewijs boden voor directe confrontatie met levensbedreigend geweld.
De Raad concludeerde dat de couppoging van Westerling na de soevereiniteitsoverdracht viel en dus buiten de werkingssfeer van de Wet viel. Ook werd vastgesteld dat eiser geen getuige was van de vermissing van zijn broer. De Raad verwierp het beroep en liet het bestreden besluit in stand, zonder proceskosten toe te kennen.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt gehandhaafd.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/1207 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 30 januari 2004, kenmerk JZ/F60/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld.
Bij brief van 14 mei 2004 heeft mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer, zich als gemachtigde voor eiser gesteld en in een aanvullend beroepschrift met bijlagen namens eiser uiteengezet waarom deze zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 december 2004. Daar is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.H.J. Toxopeus voornoemd. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiser, geboren [in] 1934 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in mei 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag als bedoeld in artikel 19, een periodieke uitkering en enkele bijzondere voorzieningen. Eiser heeft zijn aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die naar zijn mening het gevolg zijn van zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië, te weten:
tijdens de Japanse bezetting:
1. de arrestatie van zijn vader en zijn broer; tijdens de Bersiap-periode:
2. de vermissing van zijn broer [naam broer];
3. het regelmatig moeten vluchten met zijn moeder en zuster, waarbij er sprake was van geweld en beschietingen;
4. het meemaken van ongeregeldheden tijdens de couppoging van Westerling te Bandoeng.
Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 29 september 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond - kort gezegd - dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser getroffen is geweest door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:
Degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië ( de zogenoemde Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen
- tengevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;
- tengevolge van tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;
- tengevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.
Uit de gedingstukken is de Raad gebleken dat de aanvraag van eiser vooral steunt op de ontberingen, dreiging en angsten die eiser heeft ervaren tengevolge van de Japanse bezetting en de onlusten gedurende de Bersiap-periode.
Naar het oordeel van de Raad gaat het hier evenwel om algemene oorlogsomstandigheden waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft blootgestaan. Dergelijke algemene oorlogsomstandigheden zijn naar vaste jurisprudentie van de Raad niet aan te merken als tegen de aanvrager gerichte handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.
Met betrekking tot de vermelde arrestatie van de vader en broer van eiser is de Raad van oordeel dat uit de voorhanden zijnde gegevens - waaronder het dossier van broer [F. A.] - niet is komen vast te staan dat eiser daarvan getuige is geweest.
Voorts neemt de Raad in aanmerking dat uit de door eiser gegeven beschrijving van de arrestatie overigens niet blijkt dat er sprake is geweest van confrontatie met excessief geweld als genoemd in artikel 2, eerste lid, onder d, van de Wet.
De door eiser genoemde gebeurtenis van de verdwijning en - naar wordt verondersteld - het vermoord worden door extremisten van broer [naam broer] is een gebeurtenis die niet onder de Wet is te brengen nu eiser daarvan geen getuige is geweest.
Wat betreft de door eiser genoemde ongeregeldheden bij het vluchten uit de eigen woning naar andere woningen tijdens de Bersiap-periode is de Raad van oordeel dat niet is bevestigd of aannemelijk gemaakt dat dit gepaard is gegaan met levensbedreigende omstandigheden.
Tenslotte is de Raad met verweerster van oordeel dat de door eiser meegemaakte couppoging van Westerling in Bandoeng, nu deze na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië in 1949 heeft plaatsgevonden, niet onder de werkingssfeer van de Wet is te brengen.
Uit een en ander volgt dat de door eiser genoemde omstandigheden niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden. Dit betekent ook dat verweerster aan een beoordeling van de door eiser naar voren gebrachte gezondheidsklachten niet kon toekomen.
Voor vernietiging van het bestreden besluit bestaat derhalve geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.
De Raad merkt nog op dat hiermee zeker niet is beoogd te miskennen dat eiser tijdens de oorlogsjaren en de Bersiap-periode bijzonder angstige omstandigheden heeft ervaren. De erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is echter gebonden aan de in die wet omschreven specifieke gebeurtenissen.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2005.