ECLI:NL:CRVB:2005:AS4004
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken objectieve dreiging tewerkstelling
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en bijbehorende uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat hij tijdens de Japanse bezetting en de Bersiapperiode in Nederlands-Indië onder meer ondergedoken heeft gezeten om te ontsnappen aan verplichte tewerkstelling en dat hij in een beschermingskamp verbleef.
De Raad oordeelt dat onderduiken om aan tewerkstelling te ontkomen alleen in aanmerking komt indien er een objectieve dreiging bestond dat de tewerkstelling daadwerkelijk zou plaatsvinden. In dit geval ontbrak een gerichte oproep en was eiser vanwege zijn leeftijd niet vatbaar voor verplichte tewerkstelling. Bovendien heeft eiser deelgenomen aan het openbare leven, wat onderduik minder aannemelijk maakt.
Wat betreft het verblijf in het Tjihapitkamp tijdens de Bersiapperiode stelt de Raad vast dat dit een beschermingskamp betrof, waardoor dit niet onder de Wet valt. Ook de door eiser genoemde gebeurtenissen na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 kunnen niet leiden tot erkenning.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit terecht is genomen en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen grond voor vergoeding van proceskosten. De erkenning als burger-oorlogsslachtoffer is strikt gebonden aan de in de Wet omschreven criteria.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt gehandhaafd.